Bij een gewoon museum kun je binnenlopen, meestal door een schuifdeur, maar bij The Brown Collection doe je dat door aan te bellen. Het is dan ook geen gewoon museum. In dit pand aan de Bentinck Mews huist de privé-collectie van Glenn Brown, een Britse kunstenaar die bekend staat voor het gebruik van toe eigening in zijn schilderijen. Beginnend met reproducties van het werk van andere kunstenaars, Rembrandt bijvoorbeeld, transformeert Glenn Brown het toegeëigende beeld door de kleur, positie, oriëntatie, hoogte-breedteverhouding, stemming en/of grootte ervan te veranderen.
Justina opent de deur, en leidt me rond in de zaal op de begane grond, een van de vier expositieruimten. In elke zaal hangen enkele werken van Brown, vergezeld door etsen of schilderijen van andere kunstenaars door wie hij zich heeft laten inspireren, van oude meesters tot hedendaagse beoefenaars van de schone kunsten. De 59-jarige Brown heeft een voorliefde voor het gemanierde, het vreemde, het lieflijk-lelijke. Zoals een gravure uit 1586 van Hendrick Goltzius van een grote bijna naakte man op een klein, dik paard, de Romeinse held Titus Manlius Torquatus.
We staan stil bij The Holy Bible (2023), een boom die afkomstig lijkt te zijn uit een fantasy-film, ware het niet dat de Brown’s boom blauw is. Haar wortels doen denken aan benen en een fallus, en de stam die lijkt op een torso, benadrukken de antropomorfe kwaliteiten van de boom, de diepe verbondenheid tussen mens en natuur. Het is geen toeval dat het werk van Brown momenteel ook te zien is in het Freud Museum. De natuur wordt, zo luidt de gedachte achter de titel van het werk, net als de heilige geschriften, vereerd – maar verandert snel en er wordt weinig gedaan om haar achteruitgang te voorkomen.
Op de eerste verdieping word ik vergezeld door Edgar Laguinia, een Brit van Fillipijnse komaf die zich voorstelt als medeoprichter van het museum en de echtgenoot van Brown. Hij vertelt dat ze het pand, toen een kantoorpand met een zielloze jaren tachtig-interieur, daags voor het Brexit-referendum hadden gekocht. ‘De eigenaar wilde er nog voor het referendum vanaf en we kochten het voor een goede prijs, zonder nadere inspecties.’ De daarop volgende zes jaar lieten ze het ombouwen tot een museum. Brown werd daarmee de eerste hedendaagse kunstenaar met een eigen museum.
‘Eerst toonden we alleen werk van Glenn,’ zegt Edgar, ‘maar nu ook van andere artiesten. Het is onze speeltuin, en iedereen mag gratis komen meegenieten.’ De huidige tentoonstelling heet Hoi Polloi, afgeleid van het Griekse woord voor ‘het volk’. Meestal gebruikt als belediging voor de ‘grote, ongewassen massa’. De tentoonstelling brengt schilderijen, tekeningen, prenten en sculpturen van de zestiende eeuw tot heden samen. Het onderzoekt hoe kunstenaars de gewone man hebben weergegeven, weerstaan of herinterpreteerd door de lens van het spirituele, van de grandeur van de barok tot gebroken moderne visies.
The Hoi Polloi is ook de naam van Brown’s jongste kunstwerk, een barok portret van iemand van onbepaald geslacht met een blauw gezicht, enorme robijnrode lippen en een fantastisch romige, rivierachtige stroom oranje krullen. Zijn punt lijkt te zijn dat niemand gewoon is. Maar, zo beweerde Jonathan Jones in The Guardian, is betekenis toekennen aan zijn fantasierijk gestoorde kunst is een dwaasheid. Naat The Hoi Polloi hangt een afbeelding van een extatische Laurentius van Rome door Francesco Corneliani, de beschermheilige van allen die met vuur werken, zoals koks, pastei- en banketbakkers, bierbrouwers, kolenbranders en brandweerlieden.
Er hangen prachtige etsen van obscure kunstenaar, zoals Austin Osman Spare, een art nouveau-symbolist die was ontdekt door de surrealisten en nu is herontdekt door Brown. Zijn tekentalent was aan het einde van de jaren dertig ook opgemerkt door de Duitse ambassadeur in Londen, zo vertelt Edgar. ‘Hij vroeg de kunstenaar of hij een tekening wilde maken van Adolf Hitler. Osman Spare maakte daarop een tekening van zichzelf met een Hitler-snor. Wat er met dit kunstwerk is gebeurd, weet niemand.’ Tevens hangen er tekeningen van Hollandse meesters als Cornelis van Haarlem en Jan Harmensz Muller.
Statig is het portret van Lady Dunn van Anna Katrina Zinkeisen. Marcia Christoforides, zoals haar echte naam luidt, werd Lady Dunn door haar huwelijk in 1942 met Sir James Dunn, een 36 jaar oudere financier, die in 1956 overleed. In 1963 trouwde ze met Max Aitken, Lord Beaverbrook, de Canadees/Britse krantenuitgever en minister van Propaganda tijdens de oorlog. Beaverbrook overleed het jaar daarop, waardoor ze dubbel en dwars een rijke weduwe werd. Op dit complexe schilderij wordt ze neergezet als een kalmerende figuur, een formidabele maar sympathieke figuur, beheerst en elegant.
Het museum is een soort hedendaagse versie van het John Soane Museum, ook een excentrieke privécollectie dat gratis toegankelijk is. In het koele souterrain, waar het geluid van de passerende wagons van de Jubilee Line te horen is, staan beeldhouwwerken. Edgar toont me het kantoor op de zolderverdieping, met een balkon dat uitzicht biedt op Marylebone. Kijkend naar de drukke straat met terrassen, peinst Edgar hoe het voorbijlopende publiek naar deze kunstoase kan worden gelokt. Er worden, zo laat hij weten, wekelijks lezingen gehouden. Een museumcafé kan wonderen verrichten.








